Onderwijs

BAP en PEDAGOGIEK

 

Informatie-inwinning

De docent verzamelt aan het begin van het jaar uit verscheidene bronnen informatie (dossier, transitiecoach, ouders, werkgever, hulpverleningsinstanties). Samen met de informatie die de docent zelf heeft over de leerling en die uit een sociaal emotionele vragenlijst, worden pedagogische werkdoelen in het Ontwikkelingsperspectief (OP) vastgesteld, in samenspraak met ouders en leerling.

 

Coaching gesprek 
De leer –en werkdoelen zoals deze vastgesteld zijn in het OP worden regelmatig geëvalueerd in de vorm van een coaching gesprek.
Elke acht weken voert de docent zo’n coaching gesprek met de leerling, waarin deze aangeeft hoe ver hij vindt dat hij gevorderd is met zijn leer –en werkdoel. Als de doelen nog niet behaald zijn, wordt samen gekeken naar de volgende stap die nodig is om dit wel te kunnen behalen. Indien het doel wel behaald is, wordt er samen met de docent in een nieuw doel vastgesteld.
 

BAP en DIDACTIEK

 

Uitstroomprofielen
-Arbeid: Aan elk aangeboden vak worden eisen gesteld middels streefniveaus en/of te behalen competenties. Deze doelen zijn voor de leerling inzichtelijk en zijn terug te vinden in het Ontwikkelingsperspectief van de leerling. Met de leerling wordt opbrengstgericht aan de gestelde doelen gewerkt. Elke les bespreekt de docent met de leerling het lesdoel, welke gekoppeld is aan de doelen zoals ze omschreven staan in het OP.
In de laatste fase van de les wordt met de leerling gekeken of de lesdoelen behaald zijn.
-Vervolgonderwijs: Leerlingen die in het uitstroomprofiel Arbeid worden geplaatst en die op enig moment wel in staat blijken te zijn een diploma MBO1 (Entree opleiding) te behalen, kunnen op een door de school te bepalen moment doorstromen naar het ROC. Aan deze leerlingen worden hogere eisen gesteld.
-Dagbesteding: Het kan ook zijn dat leerlingen op enig moment niet in staat blijken te zijn uit te stromen naar arbeid. Zij kunnen ‘geschakeld’ worden naar uitstroomprofiel Dagbesteding.

 

Toetsing

Om het startniveau van een leerling te bepalen wordt de TOA gebruikt (d.i. een digitale toetsenbank die gekoppeld is aan de referentieniveaus). Aan de hand van het startniveau wordt in overleg met de ondersteuningscoördinator het onderwijsarrangement samengesteld.
Aan het eind van het schooljaar wordt de toets gebruikt om de voortgang van de leerling op de gebieden Nederlands, rekenen en wiskunde en Engels te meten.
Tussen deze meetmomenten in toetst de docent middels de methode gebonden toetsen.
Op deze manier kan de docent zien of de aangeboden lesstof is begrepen en in hoeverre hij verder kan gaan in zijn lesprogramma.
Toets momenten worden in de planning van de leerlijn aangegeven.

 

ORGANISATIE

 

Leerlingen op het Bureau Arbeidsparticipatie (BAP) worden voorbereid op arbeid en het participeren op sociaal maatschappelijk gebied.
Het onderwijs dat op het BAP wordt gegeven is praktijk- en opbrengstgericht.
De leerlijnen die zijn uitgezet, gelden als basis voor alle leerlingen. Indien het voor een leerling om redenen niet mogelijk is om de gehele leerlijn te volgen, wordt er afgeweken van deze leerlijn. In het Ontwikkelingsperspectief wordt de afwijking van de leerlijn onderbouwd en wordt er aangegeven waar extra ondersteuning nodig is voor de leerling om wel delen van de leerlijn te behalen.
 

De opzet van het onderwijs op het BAP is 80% stage en 20% les.

Vertaald naar uren betekent dit dat een leerling minimaal 22 uur per week op stage is. Een werk ervaringsplek (ofwel stage) is dus een vereiste!

Daarnaast wordt 5,5 uur per week aan onderwijsgebieden/vakken besteed (Nederlands, Engels; rekenen en wiskunde; beroepspraktijkvorming; loopbaan en burgerschap)
In de les en op stage wordt veel tijd besteed aan voorbereiding op arbeid en sociaal maatschappelijk participeren. Het coaching gesprek speelt in de les daarbij een belangrijke rol.
Het doel van het BAP is om in alle aangeboden vakken de link tussen de theorie en de praktijk te leggen.
Verder zijn er branchegerichte cursussen, als toevoeging aan de voorbereiding op arbeid.